“Wij zijn kooplieden in duurzaamheid”
Aldus directeur Natuur & Milieu Tjerk Wagenaar
“Wij denken graag mee hoe we op een constructieve manier samen oplossingen kunnen vinden.” Dat zegt directeur Tjerk Wagenaar van Natuur & Milieu naar aanleiding van de visie 2030-2050. Daarom ruimt de milieuorganisatie samen met de VNCI belemmeringen uit de weg die de overgang naar een biobased economie vertragen.
Tjerk Wagenaar, sinds kort directeur van milieuorganisatie Natuur & Milieu, was in januari aanwezig als panellid tijdens de presentatie van VNCI’s visie 2030-2050 in Utrecht. In deze visie voorspellen zij en organisatieadviesbureau Deloitte dat de chemie in Nederland en Noordwest-Europa de komende tientallen jaren een substantiële groei zal doormaken. En terwijl Natuur & Milieu in het verleden vooral politiek actief was, werkt Wagenaar anno nu daarnaast actief samen met bedrijven en consumenten. Hij is daarom positief over de boodschap die de visie schetst, namelijk dat er een toekomst is voor de chemische industrie in ons land. “Vaak hoor je geluiden dat er in ons overvolle, kleine Nederland geen ruimte is voor nog meer industrie. Het opvallende aan deze studie is voor mij dat de chemische industrie haar omzet nog kan verdubbelen, uiteraard binnen de beschikbare milieugebruiksruimte. Dat hadden veel mensen volgens mij niet verwacht. Het onderstreept voor mij bovendien nog eens hoe belangrijk het is dat de VNCI en Natuur & Milieu samen optrekken.”
Wat bedoelt u daar precies mee?
“De chemische industrie heeft maatschappelijke organisaties als Natuur & Milieu nodig. Samen kunnen zij de juiste randvoorwaarden scheppen om de groene groei in de toekomst mogelijk te maken. Je kunt hierbij denken aan dilemma’s oplossen over welke biomassa waarvoor te gebruiken, eenvoudige regels of prikkels aandragen om dit te bereiken, of maatschappelijk draagvlak creëren voor de gewenste stappen. Natuur & Milieu kan zich prima vinden in de activiteiten van de sector om het energieverbruik verder te reduceren, of het streven naar zo veel mogelijk transparantie over de herkomst en opbouw van de te gebruiken grondstoffen. Verder vindt de VNCI ons aan haar zijde om een aantal belangrijke belemmeringen voor de overgang naar de biobased economie uit de weg te ruimen.”
Waar moeten we dan aan denken?
“In de eerste plaats is het belangrijk dat de branche zekerheid krijgt over het effect van toekomstige investeringen in de biobased economie. De sector wil op termijn graag overschakelen op groene grondstoffen voor de productie van hoogwaardige biomaterialen. Daarvoor is het belangrijk om te weten hoe veel biomassa we kunnen importeren en hoe we die goed kunnen verdelen. De Europese biobrandstoffenrichtlijn schept een kunstmatige markt voor biobrandstoffen, waardoor veel van deze stromen worden weggelokt van de chemische sector naar de energiesector. Denk daarnaast aan een stabiele CO2 prijs zonder dat daarmee de mondiale concurrentiepositie wordt aangetast. Ook is het belangrijk dat de overheid de juiste wet- en regelgeving opstelt die de overgang naar de biobased economie faciliteert.”
Kunt u dat toelichten?
“Ik zit bijvoorbeeld in de Adviesgroep Modernisering Omgevingsrecht. Deze adviseert minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu over de vereenvoudiging van het omgevingsrecht. De regels voor milieu, ruimtelijke ordening, natuur en water zijn momenteel veel te complex en vaak los van elkaar tot stand gekomen. De samenhang ontbreekt, en dat bemoeilijkt een integrale benadering van de omgeving. Ik heb mij er sterk voor gemaakt dat er in de nieuwe Omgevingswet experimenteerruimte komt voor duurzame ontwikkelingen. Zo moet het mogelijk zijn om tijdelijk bepaalde emissies beperkt toe te staan als dit bijdraagt aan structurele duurzaamheid. Stel dat een bedrijf in de Botlek een nieuwe proeffabriek wil neerzetten die op groene grondstoffen draait. Dan moet de onderneming er wel van verzekerd zijn dat er ook in de toekomst ruimte is voor de uitstoot van bepaalde emissies. De maatregel van het kabinet om de maximum snelheid rond Rotterdam weer tot 100 kilometer per uur te verhogen, heeft momenteel direct invloed op dit soort investeringsbeslissingen. Het beperkt de ruimte voor vernieuwing in de chemische industrie in Rotterdam. Staan we daar met z’n allen wel bij stil, vraag ik mij soms af.”
Welke rol ziet u hierbij voor de VNCI weggelegd?
“Ik verwacht van de VNCI leiderschap bij het benoemen van de belemmeringen die uit de weg geruimd moeten worden. Daarnaast kan de vereniging aangeven welke stimuleringsmaatregelen nodig zijn. Ook kan de VNCI een belangrijke rol spelen bij het creëren van een positief imago voor de gehele sector.”
Op welke manier?
“Bijvoorbeeld door ervoor te pleiten dat iedere middelbare scholier minimaal twee keer tijdens zijn opleiding een chemische fabriek van binnen heeft gezien. Ik weet nog uit mijn periode als directeur bij Eneco hoe leuk het is om jongeren met gepassioneerde technici of marketeers in aanraking te laten komen. Dat werkt heel stimulerend voor beide partijen. Verder is het essentieel dat bedrijven die zich niet aan de regels houden intern keihard worden aangepakt. De uitstraling van de brand bij Chemie-Pack op de sector is natuurlijk killing. Eén rotte appel in de mand verpest het voor iedereen, ook al is het bedrijf geen lid van de VNCI. Verder is het belangrijk dat de vereniging haar tegenkrachten goed organiseert, want anders krijg je je eigen zaken niet goed voor elkaar.”
Tegenkrachten?
“Daarbij doel ik op goed en professioneel overheidstoezicht bij chemische bedrijven. Er bestaat een breed gedragen beeld dat het hieraan schort. Daarom is de overheid al een tijdje bezig om het toezicht te professionaliseren via gespecialiseerde uitvoeringsdiensten voor vergunningverlening, toezicht en handhaving van BRZO-bedrijven in een regio. Deze diensten konden er in mijn ogen al veel eerder zijn als er meer druk op de overheid was uitgeoefend.”
Doet u liever rechtstreeks zaken met bedrijven of met hun koepelorganisaties?
“Dat ligt aan het onderwerp. Als het bijvoorbeeld om sectorbrede ontwikkelingen gaat, zoals het opzetten van keurmerken, het oplossen van dilemma’s of het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak, dan stemmen we dat uiteraard graag af met de koepelorganisaties. Maar bedrijven kloppen steeds vaker zelf bij ons aan om duurzaamheid in hun organisatie een stimulans te geven. Wij helpen ze om hun eigen dilemma’s scherp te krijgen en intern enthousiasme te kweken. Door onze brede blik kunnen wij ze ook adviseren over relevante ontwikkelingen in andere sectoren, zoals het emissiehandelssysteem in de luchtvaartindustrie. Ook ondersteunen wij bedrijven bij het terugdringen van hun energieverbruik. Daarmee versterken ze niet alleen hun concurrentiepositie, maar werken ze tevens aan duurzaamheid.”
Hoe kunnen bedrijven duurzaamheid stimuleren?
“Bij de koplopers in de chemische industrie maakt duurzaamheid integraal deel uit van het management. Daar kijken ze bijvoorbeeld bij iedere investeringsbeslissing naar de duurzaamheidscomponent en is duurzaamheid onderdeel van de beloningsstructuur. Dat is alleen zeker nog niet overal het geval. Ik pleit ook altijd voor meer promotiekansen voor mensen die invulling geven aan duurzaamheid.”
Natuur & Milieu heeft zich in de afgelopen jaren dus ontwikkeld tot een volwaardige sparringpartner voor het bedrijfsleven. Hoe bevalt die rol?
“Ik vind het bijzonder inspirerend om voor het grootste deel afhankelijk te zijn van vrije opdrachten. Graag adresseer ik onderwerpen die standaard niet ter sprake komen om aan te geven dat we het over een bepaald thema moeten hebben en om voortgang te krijgen. Dat doe ik niet met de intentie om te zeggen of iets wel of niet goed is. Natuur & Milieu zit graag aan tafel, en niet aan de zijkant. Wij hangen geen spandoeken aan fabrieken, maar zoeken actief de dialoog, publiceren in de media en entameren discussie. En als we het écht niet met elkaar eens zijn, gaan we naar de institutie waar we nog steeds veel vertrouwen in hebben: de rechter. Maar dat komt steeds minder voor. De tijd van de dominees hebben we voorgoed achter ons gelaten. Dat past niet meer bij het nieuwe profiel van Natuur & Milieu. Ik zie ons meer als kooplieden in duurzaamheid, en daarbij gaat het om het resultaat.”
Over Natuur & Milieu
In de lobby van VNO-NCW verontschuldigt directeur Tjerk Wagenaar zich voor het uitlopen van een eerdere afspraak aldaar. Zijn aanwezigheid in het kantoor van de ondernemersorganisatie typeert de omslag die Natuur & Milieu al een paar jaar geleden heeft gemaakt. Was de organisatie voorheen sterk gericht op het Haagse en Brusselse lobbycircuit, tegenwoordig werkt zij constructief samen met bedrijven, overheid, consumenten en maatschappelijke organisaties om de overgang naar een duurzame samenleving te realiseren.
Ook de financiering is veranderd. Een paar jaar geleden was de overheid de belangrijkste financier van Natuur & Milieu en vroegen sommigen zich wel eens af waarom de organisatie niet gewoon deel uitmaakte van het toenmalige ministerie van Verkeer, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Inmiddels haalt Natuur & Milieu tweederde van haar inkomsten uit onafhankelijke projecten voor een scala aan opdrachtgevers.
De rol van versneller en verbinder van de duurzame samenleving is Wagenaar op het lijf geschreven. Sinds december 2010 leidt de natuur- en bedrijfskundige de maatschappelijke organisatie. Daarbij profiteert hij ook van zijn uitgebreide ervaring in het bedrijfsleven, onder andere als directeur warmte en koude bij Eneco, tijdens gesprekken in de board rooms van de toonaangevende ondernemingen van ons land. Daarnaast mengt Wagenaar zich graag in het publieke debat over ontwikkelingen in de industrie.
